De flamenco-opera en de eerste helft van de 20e eeuw
Tussen 1920 en 1955 werden er flamenco-optredens gehouden in stierenvechtarena’s en theaters. Deze voorstellingen werden bekend als de Flamenco-opera.
Men noemde ze zo als economische strategie van de organisatoren, omdat opera in die tijd slechts met 3% werd belast, terwijl voorstellingen 10% belasting betaalden. In deze jaren verspreidden de flamenco-shows zich door het hele land en door de belangrijkste steden overal ter wereld. Maar als keerzijde verdwenen, door het commerciële en sociale succes van de flamenco, enkele meer sobere en oude palos van het podium, ten gunste van de meest levendige; zoals de cantes de ida y vuelta, de cantiñas of de fandangos.
Als verdediging van de puristische lijn organiseerden Manuel de Falla en Federico García Lorca in 1922 een concurso de cante jondo in Granada. Zij zagen de flamenco als folklore en niet als een scenisch genre. Ze maakten zich zorgen dat de diepste en meest pure wortels van de flamenco verloren zouden gaan. Daarom organiseerden ze deze wedstrijd, waaraan alleen liefhebbers mochten deelnemen. Cantes de cantiñas en cantes festeros werden uitgesloten. De jury stond onder leiding van Antonio Chacón, destijds de grootste figuur van het cante. De winnaars waren “El Tenazas”, een gepensioneerde cantaor uit Morón de la Frontera, en een jongen van slechts 8 jaar uit Sevilla, Manuel Ortega. Deze laatste ging de geschiedenis in als Manolo “Caracol”.
Toch werd de wedstrijd een mislukking vanwege de geringe weerklank. Ook omdat Lorca en Falla het inmiddels professionele karakter van de flamenco niet begrepen. Zij hielden vast aan het zoeken naar een zuiverheid die nooit heeft bestaan, aangezien deze kunstvorm juist werd gekenmerkt door de innovatie van haar makers en de vermenging van invloeden.
De Generatie van ’27, met onder haar leden de meest vooraanstaande Andalusiërs en kenners van het genre, zorgde ervoor dat de flamenco erkenning kreeg in intellectuele kringen.
In de naoorlogse periode na de Spaanse Burgeroorlog, en in de eerste jaren van het Franco-regime, werd de flamencowereld met argwaan bekeken, omdat de autoriteiten er niet van overtuigd waren dat deze bijdroeg aan het nationaal bewustzijn. Al snel eigende het regime zich de flamenco echter toe als een van de belangrijkste culturele uitingen van Spanje.
Met de Flamenco-opera brak een tijdperk van open creativiteit aan, waarin het grootste deel van het flamenco-repertoire werd gevormd. Grote figuren als Manuel Torre, Antonio Chacón, Pepe Marchena, La Niña de los Peines en Manolo Caracol sprongen eruit.

Monument voor Manolo Caracol, op de Alameda de Hércules in Sevilla