Flamenco als studieobject: de Flamencologie
Halverwege de 20e eeuw werd de flamenco een echt studieobject. Vanaf de jaren vijftig verschenen er talrijke musicologische en antropologische studies over flamenco. In 1954 bracht Hispavox de 1e Antología del Cante Flamenco uit, een opname die werd gedomineerd door een georkestreerde en geromantiseerde vorm van cante.
In 1955 publiceerde Anselmo González Climent een essay met de titel Flamencología. Daarmee werd de flamenco en de studie ervan aanzienlijk in aanzien verhoogd, omdat dezelfde academische methodologie werd toegepast als in de musicologie. Dit werk diende bovendien als basis voor latere studies over dit genre.
In 1956 vond de "I Concurso Nacional de Cante Jondo de Córdoba" plaats. En twee jaar later werd in Jerez de la Frontera de eerste leerstoel Flamencologie opgericht, de oudste academische instelling voor de studie, het behoud, het onderzoek, de promotie en de verdediging van de flamencokunst.
In 1963 publiceerden Ricardo Molina –dichter uit Córdoba– en Antonio Mairena –cantaor uit Sevilla– Mundo y Formas del Cante flamenco, een onmisbaar naslagwerk om flamenco te leren kennen. Het boek beschrijft en legt de verscheidenheid aan stijlen en palos op een eenvoudige manier uit. Het vertelt de geschiedenis van de cante en stelt dat flamenco een exclusieve creatie van de zigeuners was, die het in de intimiteit bewaarden totdat zij ervan gingen leven.
Dit boek maakt ook een onderscheid tussen de “cante grande”, waarmee de zigeunercante wordt bedoeld, en de “cante chico”, die zou staan voor het verflamencoflamencooden van de folkloristische melodieën van Andalusië en de koloniale gebieden.
Het werk van Molina en Mairena introduceerde in de flamencologie als onderzoekslijnen het “neojondismo” en de “tesis gitanista”.
Andere auteurs werkten de zogenaamde “tesis andalucista” uit, om te verdedigen dat flamenco een Andalusisch product was, dat zich volledig in deze regio had ontwikkeld. Ook omdat de palos hun oorsprong hadden in de Andalusische folklore. Eveneens stelden zij dat de Andalusische zigeuners op beslissende wijze hadden bijgedragen aan de vorming van de flamenco.
In deze context werd de uitzonderlijke positie van dit genre benadrukt ten opzichte van de muziek en dansen van zigeuners in andere delen van Spanje en Europa. Tegenwoordig wordt de eenwording van de tesis andalucista en de gitanista vaker aanvaard.

Leerstoel Flamencologie in Jerez de la Frontera