De eerste flamencozangers
Men heeft lang gedacht dat Tío Luis de la Juliana, uit Jerez, de eerste flamencozanger uit de geschiedenis was. Maar tot nu toe is nog niet eens aangetoond dat hij echt heeft bestaan.
Van wie wél betrouwbare verwijzingen naar hun bestaan zijn, is van de eerste artiesten uit de 18e eeuw in Triana (Sevilla). Samen met Cádiz en Jerez is Sevilla een plek waar de flamenco uitgroeide tot een volwaardige kunstvorm. We noemen een aantal markante persoonlijkheden:
“El Planeta” – vermoedelijk geboren in de Baai van Cádiz, meer bepaald in Puerto Real – zong seguiriyas en tonás in deze Sevillaanse wijk. “El Fillo” was zijn belangrijkste leerling. Een gitano eveneens uit de provincie Cádiz, die een liefdesrelatie had met “la Andonda”.
“La Andonda” was naar het schijnt de eerste die soleá zong. Hoewel deze palo ook wordt toegeschreven aan andere families uit Triana, zoals “los Pelaos” of “los Cagancho”. In die tijd werden er ook martinetes en romances gezongen, stijlen die nauw verwant zijn aan de toná.
In Los Puertos (uitdrukking die in de “geografía del cante” verwijst naar de plaatsen in de Baai en de noordwestkust van Cádiz: San Fernando, Chiclana de la Frontera, Puerto Real, El Puerto de Santa María en Sanlúcar de Barrameda) en in Jerez de la Frontera ontstonden belangrijke flamencocentra.
Paco de la Luz was een mythische seguiriyero. Van hem stammen bijna alle grote zangers uit Jerez af: “Loco” Mateo, Manuel Molina, Joaquín Lacherna, Diego “el Marrurro” en Merche “la Serneta”.
In de Baai van Cádiz schreven zangers als “el ciego la Peña”, Enrique “El Gordo”, Enrique Jiménez Fernández “El Mellizo” en Curro Durse geschiedenis.

Uitzicht op Puerto Real, vanaf de Paseo Rafael Alberti.