Seguiriya
De seguiriya is een van de oudste flamencostijlen. Samen met de bulería en de soleá vormt zij de ruggengraat van de flamenco.
Etymologisch gezien wordt aangenomen dat de naam is afgeleid van de seguidilla. Het gaat om een fonetische vervorming die uitmondt in verschillende termen: seguiriya, siguiriya, seguirilla of siguerilla. De oudste getuigenissen van deze flamencostijl dateren uit het einde van de 18e eeuw, al is de oorsprong onzeker. De seguiriyas zouden zijn voortgekomen uit de primitieve tonás, ontstaan tussen Sevilla en Cádiz, met Los Puertos, Jerez en de wijk Triana als belangrijkste centra.
Tot het complex van de seguiriyas behoren ook de livianas en de serranas. Beide stijlen volgen het compás van de seguiriya. Een andere variant zijn de cabales, dat zijn seguiriyas maar dan in majeur.
Als zang heeft zij een tragisch en somber karakter. Ze belichaamt de basiswaarden van wat bekendstaat als pure en diepe zang (cante puro y hondo). De teksten gaan dan ook over pijn en tragedie, waarin het lijden in menselijke relaties, de liefde en de dood wordt weerspiegeld.
De seguiriya is pure emotie, met veel quejío en weinig tekst. Veel stijlen, zoals de malagueñas of de cantes a palo seco (zonder gitaar), zijn schatplichtig aan de muzikale esthetiek van de seguiriya. De term seguiriya komt in veel literaire werken voor. Bovendien wordt de muziek van sommige tonadillas aangeduid als seguidilla gitana (die overigens helemaal niet samenvalt met de flamencovorm). Deze zang wordt gekenmerkt door de herhaling van klanken als “ay”.
Haar oorsprong heeft musicologen lang hoofdbrekens bezorgd. Tegenwoordig weet men dat haar metriek is gebaseerd op het omkeren van de maatindeling van de soleá (3x4 + 6x8). De oudste modaliteiten van deze stijl werden, net als de tonás, gezongen zonder muzikale begeleiding. Tegenwoordig wordt zij wel begeleid door gitaar. De voortdurende toonsovergangen en nuanceringen maken dat deze zang een van de moeilijkste is om te interpreteren. De dans erbij werd voor het eerst geïntroduceerd door Vicente Escudero in 1940.
Het is een rustige, plechtige, ceremoniële dans, zonder versieringen. De tekststructuur bestaat uit vier hexasyllabische verzen, behalve het derde, dat elf lettergrepen telt. Dit syllabisch model is verwant aan de jarchas. Het tweede vers rijmt met het vierde, zowel met volrijm als met assonantierijm. In deze flamencostijl gaat de emotie boven de vorm (structuur).
Het is niet ongewoon seguiriyas met andere metriek aan te treffen. Er bestaan verschillende typen seguiriyas die verbonden zijn met een specifieke cantaor. In Cádiz is de zang por seguiriyas van El Planeta bekend; in Jerez die van La Niña de los Peines; in Triana die van Frasco el Colorao; enzovoort.