Cantes minero-levantinos
De cantes minero-levantinos zijn een flamencostijl uit het mijngebied van Cartagena-La Unión, ontstaan in de 19e eeuw.
De cantes minero-levantinos ontstonden op basis van de palos die door Andalusische arbeiders naar deze streek werden gebracht: de malagueña, de taranto uit Almería en de granaína (palos die afstammen van de fandango), en door het contact met de lokale fandangos.
Volgens Pedro Fernández Riquelme kregen de cantes minero-levantinos hun vaste vorm toen in 1961 het Festival del Cante de las Minas de La Unión werd opgericht. Maar dichter Manuel Machado noemde ze al in 1912 in „La Lola”, een gedicht uit zijn bundel „Cante Hondo”. Het is een cante met copla van vier tot vijf octosyllabische verzen. Het gaat om een sterk gemarkeerde variant van de taranta (nauwelijks verschillend daarvan, behalve in enkele opvallend benadrukte melodische nuances). Rojo „El Alpargatero” uit Alicante was de schepper; hij gaf deze stijl door aan zijn zoon om haar te laten voortbestaan.
Tot de cantes minero-levantinos behoren: de taranta, de minera, de cartagenera, de fandango minero, de levantica en de murciana. Sinds de start van het Festival Internacional del Cante de las Minas in 1961 wordt dit elke augustus gehouden om deze cantes te herdenken. Het gaat om cantes die eigen waren aan de vroegere mijnwerkers, die ze zongen tijdens hun lange werkdagen in de mijn.
Tegenwoordig is het een van de belangrijkste flamencofestivals van Spanje. De meest vooraanstaande vertolkers zijn: Antonio Piñana, Pencho Cros, „Fosforito”, Encarnación Fernández en José Sorroche.