De herkomst van het woord "flamenco"
Net zoals de oorsprong van de flamenco verschillende theorieën kent, geldt dat etymologisch ook voor het woord “flamenco". Er bestaan dus meerdere hypothesen. De meest verspreide is die van Blas Infante – de vader van de Andalusische autonomie – in zijn werk “Orígenes de lo flamenco”. Volgens hem zou het woord flamenco afgeleid zijn van twee Arabische termen, namelijk “Felah-Mengus”: “zwervende boer”.
Een andere, merkwaardige theorie, die veel aanhangers heeft gehad, is dat flamenco verwees naar een mes of een knipmes. Maar deze hypothese heeft geen grote weerklank gevonden; net zomin als die welke stelde dat de naam te danken was aan de vogel flamingo. Volgens Rodríguez Marín zou deze idee van de vogel als oorsprong gerechtvaardigd zijn doordat de cantaores korte jasjes droegen. Ze waren lang en hadden een gebogen taille, waardoor ze leken op deze steltloper.
Ook de theorie van Hipólito Rossy en Carlos Almendro is niet bewezen, namelijk dat de term "flamenco" te danken zou zijn aan de polyfone muziek van het Spanje van de 16e eeuw, die nauwe banden had met de Lage Landen (Vlaanderen). Deze theorie heeft verschillende voorstanders gehad, zoals de romantische reiziger George Borrow of Hugo Schuchard, onder anderen. Volgens deze laatste schrijvers dacht men vroeger dat zigeuners van Germaanse afkomst waren, en daarom werden ze flamencos genoemd.
Maar er zijn nog twee andere zeer interessante hypothesen: Antonio Machado schreef dat “de zigeuners de Andalusiërs gachós noemen en dat deze op hun beurt de zigeuners flamencos noemen”, zonder dat we weten wat de oorzaak van deze benaming is. Manuel García Matos stelde dat het woord flamenco afkomstig was uit het jargon dat aan het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw gebruikt werd om alles te benoemen wat opzichtig, opschepperig of pretentieus was.

Foto door Edgar Serrano op Unsplash