De Cafés Cantantes
Al tegen het einde van de 19e eeuw was de flamencokunst wijdverbreid in Andalusië. In Cádiz verschijnen figuren als Dolores en Alonso del Cepillo, “Chiclanita”, El Negro del Puerto, José de los Reyes; waarmee belangrijke centra van het cante worden bevestigd, zoals San Fernando, Los Puertos, Chiclana, Sanlúcar en Arcos de la Frontera.
In Jerez de la Frontera ontstond een andere bakermat van de flamenco, met name in de wijken San Miguel en Santiago. Van hier stammen onder meer Manuel Soto Loreto, Antonio Chacón en El Torre.
Kort vóór de doorbraak van deze meesters kwam er een keerpunt in de flamenco. Zangers als Tomás El Nitri, Silverio Franconetti en Juan Breva vielen samen in de tijd. Tussen hen heerste een sterke rivaliteit. De eerste “Llave de Oro” del Cante was voor Tomás. Hij ontving deze onderscheiding vanwege zijn meesterschap tijdens een feest. In deze context opende Silverio Franconetti in 1881, aan de Calle Rosario nr. 4 in Sevilla, een café cantante.
De Cafés Cantantes waren uitgaansgelegenheden die ’s avonds openden, waar de toeschouwers aan een drankje nipten terwijl ze genoten van een muzikaal flamencospektakel. Volgens de memoires van de cantaor Fernando de Triana bestond er in 1842 al een café cantante, dat vijf jaar later opnieuw werd geopend onder de naam “Los Lombardos” (naar de opera van Verdi).
In het café cantante van Silverio Franconetti hing een zeer competitieve sfeer tussen de verschillende cantaores, aangezien Silverio zelf in het openbaar de besten uitdaagde.
Deze gelegenheden werden zo populair dat de figuur van de professionele cantaor ontstond en ze uitgroeiden tot een smeltkroes voor flamencocreatie.
Toch hield, ondanks het grote succes van de cafés cantantes, een deel van het genre het cante levend binnen de traditionele minderheden: “los Gordos de Alcalá”, Joaquín “el de la Paula” en “Agujetas el Viejo”.
Degenen die in deze periode triomfen vierden op de podia in het hele land, waren grote artiesten zoals “Las Coquineras”, don Antonio Chacón, “La Macarrona”, Francisco Lema “Fosforito el Viejo”, “el Perote”, “El Macaca”, “el Mochuelo”, “El Diana”, “El Canario”, Cayetano Muriel “el Niño de Cabra”, “el Garrido de Jerez” of “La Rubia de las Perlas”, onder vele anderen.
In de roaring twenties van de vorige eeuw nam een ongeëvenaarde generatie het flamencostokje over.
Dan klinken al namen als die van Pastora Pavón Cruz “La Niña de los Peines”, Tomás en Arturo Pavón, Manuel Vallejo, “El Gloria”, Manuel Torre, Juanito Mojama, “El Niño Escacena”, Bernardo “el de los Lobitos”, Manuel Centeno, Pepe el de la Matrona, Juan Varea, “El Cojo de Málaga”, “El Niño de Marchena”, Sebastián “el Pena”, Manolo Caracol, Tío Gregorio “el Borrico”, Tía Anica “la Piriñaca” en Juan Talega.

Een café cantante (1850). Olie op doek van José Alarcón Suárez.

La Niña de los Peines (1917-1918), Julio Romero de Torres.