Tango
De tango als flamencopalo heeft een copla met 3 of 4 achtlettergrepige verzen. Hij wordt beschouwd als een van de meest basis-palos van de flamenco.
Er bestaan verschillende varianten: de tango van Badajoz, die van Cádiz, die van Jerez, die van Triana en die van Málaga. Alle theorieën wijzen erop dat de oorsprong tussen Cádiz en Sevilla ligt. Van daaruit verspreidde hij zich naar Amerika, waar later de Rioplatense tango ontstond. Waarschijnlijk stamt de flamencotango af van oude, dansbare gezangen uit de 19e eeuw, die zich beetje bij beetje ontwikkelden tot de huidige vorm.
Het is een zangstijl in 4/4-maat die in elke toonsoort kan worden uitgevoerd. De eerste vertolkers waren El Mellizo en Aurelio Sellés (Cádiz), El Titi en Pastora Pavón "la Niña de los Peines" (Sevilla), El Mojama en Frijones (Jerez), en La Pirula, La Repompa en El Pillayo in Málaga en Cádiz.