Sevillanas
De sevillanas zijn een bekende flamencostijl: een typische dans en zang uit Sevilla, Huelva en andere Andalusische provincies. Hun voornaamste toneel zijn de Andalusische ferias; de belangrijkste zijn de Feria de Abril (Sevilla), de bedevaart El Rocío (Almonte, Huelva) en de feesten in West‑Andalusië. Ook op de verschillende bedevaarten zijn ze niet weg te denken.
Vroeger waren sevillanas erg populair in de binnenplaatsen met huurhuizen en op de patio’s. De oorsprong van de sevillanas gaat terug tot de jaren vóór de komst van de Reyes Católicos. Ze vinden hun basis in composities die “seguidillas castellanas” werden genoemd, die zich in de loop van de tijd ontwikkelden en een flamencokarakter kregen. De dans werd in de 18e eeuw toegevoegd en evolueerde tot de huidige dansen en zang van de sevillanas. In hetzelfde jaar als de oprichting ervan kwamen ze naar de Feria de Sevilla onder de naam “sevillanas”. Maar officieel werd de term pas in 1884 erkend door de Real Academia Española de la Lengua; toen werd hij opgenomen in het woordenboek van de Spaanse taal.
Tegenwoordig is het de meest gedanste regionale dans in Spanje en wereldwijd. Over de hele wereld zijn er veel professionals en dansscholen die lesgeven in sevillanas dansen. Er zijn veel bekende artiesten binnen deze stijl geweest: Concha Piquer, Paquita Rico, Lola Flores, La Niña de la Puebla, María Jiménez, Los Marismeños, Amigos de Gines, Cantores de Híspalis en Ecos del Rocío.
De dans van de sevillanas is de populairste folkloristische dans in Spanje. Er wordt onderscheid gemaakt tussen snelle en langzame dansen. Meestal danst men in paren, al zijn er uitzonderingen en combinaties waarbij in een formatie van meer dan twee personen tegelijk wordt gedanst. De dans is verdeeld in vier coplas, hoewel het er vroeger zeven waren. De vier bewegingen van de dans zijn: paseíllos, pasadas, careos en de remate. Aan het einde van de laatste copla vallen muziek en dans samen, wat soms een mooi en romantisch effect geeft. De maat is ¾ (drie tellen); de eerste tel is sterk en de twee andere zijn zwak. De muziek van de sevillanas komt uit de snaren van de gitaar, die in iedere toonsoort kan worden gespeeld, afhankelijk van de zanger. De gitaar wordt meestal begeleid door handgeklap van de palmeros die de groep of de zanger begeleiden. Ook het gebruik van castagnetten (in Oost‑Andalusië in de volksmond “palillos” genoemd), de tamboril, de tamboerijn of de pito rociero is soms typisch.