Caracoles
De caracoles zijn als flamencopalo ontstaan uit dansbare cantiñas, meer concreet uit een cantiña die “La caracolera” heette. Hun ontwikkeling situeert zich aan het einde van de 19e eeuw in Madrid. De verschillende cantaores voegden aan de caracoles tercios –tekststrofen of melodische verzen– toe, of vermengden ze met andere cantiñas.
José de Sanlúcar wordt beschouwd als de eerste die deze zangvorm groot maakte, voordat Antonio Chacón hem in stand hield en verspreidde. Later waren andere cantaores, zoals El Niño de Almadén, degenen die deze palo hebben bewaard. Tegenwoordig wordt deze zangvorm nog maar weinig gebruikt.